Ze was achtenzeventig, maar keek gewoon nooit meer in een spiegel
die dat zei. Ze vierde een soort vakantie, met elke dag uitslapen en
soms iets sufs, bingo ofzo, en dat dan heel gezellig vinden, kijk die
échte ouwetjes eens genieten. Het huishouden was nu van een woensdagse
mevrouw genaamd Noor. Woensdags rookten ze samen een Belinda, en als
niemand keek, een zware Drum, en soms kregen ze de slappe lach. Dat kon
ze al zeventig jaar, de slappe lach hebben, en niemand die haar nu nog
terechtwees, ook juf Kaal niet.
Juf Kaal, die haar op school altijd het alfabet wou leren of iets
anders wat een beetje meisje nooit nodig zou hebben. Breien, ook
zoiets. In de eerste was ze wel eens wanhopig geworden bij weer zo’n
handwerkles die uitdraaide op zevenendertig knopen in de wol en één in
haar maag. Later leerde ze dat gepriegel vooral lachwekkend te vinden.
De blik van de juf droeg daar grondig aan bij.
Toch had ze Noor onlangs, na een zomaare lachbui van een kwartier, naar
zich zien kijken met een blik die bijna van Juf Kaal was. Komt er ooit
iets van jou terecht, meisje, nee, laat dat antwoord maar. Wat zou juf
er nu nog aan kunnen doen, dacht ze prompt, en moest ook daar weer
vreselijk om lachen. En kijk, Noor lachte mee, heus wel een beetje van
harte. Ze staken er nog eentje op.
Wat moest ze anders dan lachen en roken? Haar dromen waren verdampt,
haar man en familie in vlammen opgegaan, de toekomst was veranderd in
heel veel vroeger. Soms maakte ze plannen voor later als ze groot was.
Het besef dat ze allang groot was geweest, drukte een peuk uit in haar
hart. Ze schaterde: heb je toch gelijk gehad, juf, ik kwam nergens
terecht.
Die avond werd er aangebeld. Zonder dat ze opendeed, kwam juf Kaal
binnen. Zo meisje, zei ze, ik kwam je vragen waarom je altijd zo lachen
moest. En hoe je dat doet. Kun je mij dat leren?
Ga zitten juf, zei ze, en steek er eentje op.
|